Zet de zinnen in de andere tijd


De verpleger verbindt de wond.
De verpleger de wond.

De boer bestreed het onkruid.
De boer het onkruid.

De regels gelden voor ons allemaal.
De regels voor ons allemaal.

Ik spuit de stoep schoon.
Ik de stoep schoon.

De politie verzocht de toeschouwers door te lopen.
De politie de toeschouwers door te lopen.

Ik verdenk hem van die overval.
Ik hem van die overval.

De piraten bevinden zich op een onbewoond eiland.
De piraten zich op een onbewoond eiland.

De meeste mensen ontbijten niet goed.
De meeste mensen niet goed.